Antwerpen

Naast de streek rond Berlare en natuurlijk Engeland, is ook Antwerpen een belangrijke en veel voorkomende stad in deze stamboom. Ik woon er inmiddels zelf ook sinds 2015, en vond het de moeite waard om een kleine en zeer beknopte inleiding in de geschiedenis van de stad neer te pennen.

Panorama van Antwerpen (ca. 1730)
Panorama van Antwerpen (ca. 1730) door Georg Balthasar Probst – Det Kongelige Bibliothek, København

Prehistorie

Hoewel de Schelde vandaag de trots van de stad is, heeft ze niet altijd door Antwerpen gestroomd. In geologische termen is de huidige situatie relatief jong. Oorspronkelijk stroomde de Schelde ten Noordwesten van Gent rechtstreeks naar zee. Toen op het einde van de voorlaatste ijstijd, het Saalien, het smelten van de poolkappen het zeeniveau meer dan 25m liet stijgen, werden de Scheldevallei en het omringende land overstroomd tot bijna in Mechelen. In de Wechsel-ijstijd trok de zee zich opnieuw terug uit Vlaanderen, waarbij dikke lagen sediment werden achtergelaten. Het koude klimaat liet de erosie haar werk doen, en nieuwe rivierbeddingen werden uitgeschuurd. Zo’n 10.000 jaar geleden, baande het water van de Schelde zich voor het eerst een weg naar Antwerpen.

Antwerpen in het Neolithicum

De streek rond de Schelde (het zogenaamde “alluviaal”) was nat en moerassig, met hier en daar veenvorming. Deze vruchtbare grond trok in het Mesolithicum mensen aan. Bij de havendokken van Lillo, ten Noorden van de stad, en zelfs aan het Steen, werden reeds silex voorwerpen aangetroffen van 9.000 jaar oud. Ook zijn er bijlen uit de bronstijd, en waterputten uit de ijzertijd aangetroffen. De bewoning was mogelijk op een aantal zandheuvelruggen tussen grofweg het Steen, de Franklin Rooseveltplaats en de gedempte Zuiderdokken. De huidige straatnamen herinneren ons nog aan enkele van deze heuvelruggen: Bloedberg, Koraalberg, Guldenberg en Kauwenberg. Tussen deze heuvels, erodeerde het zand stilaan weg met behulp van de rivier. Zo ontstonden op natuurlijke wijze de inhammen, die later zouden uitgegraven worden tot de vlieten (Sint-Pietersvliet, Koolvliet, Burchtgracht, Suikerrui en Sint-Jansvliet), afgewisseld met “uitstulpingen” in de Schelde, waarvan de Werf de grootste en bekendste was.

Ook in de ijzertijd, omstreeks de 6de eeuw v. Chr., verspreidden de Kelten zich in onze streken, komende uit Centraal-Europa (Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk). Zij leefde vooral in kleine groepen en vermengden zich snel met de plaatselijke bevolking. De stammen die in de streek rond Antwerpen woonden, werden door Caesar de Ambivareti genoemd, en door andere auteurs de Texuandri. Het is niet zeker of hiermee dezelfde groep mensen bedoeld wordt, of dat met Ambivareti de oudere Keltische (Gallische) bevolking bedoeld wordt en met Texuandri de Germaanse stammen die zich in de 1ste eeuw n. Chr. in onze streken kwamen vestigen. Terwijl het onderscheid tussen de Keltische en Germaanse stammen niet altijd even duidelijk is, zijn we wel zeker dat de Germaanse cultuur uiteindelijk de bovenhand haalde.

De Romeinse Tijd

Romeins Antwerpen

De aanwezigheid van de Romeinen, die vanaf 52 v. Chr. onze streken binnenvielen, wordt bevestigd door talrijke archeologische vondsten. Onder andere vondsten op de plek waar de rivier Schijn in de Schelde uitmondde (Noord-Antwerpen, ter hoogte van ’t Eilandje) duiden op een Gallo-Romeinse nederzetting. De grootste concentratie werd gevonden in het gebied tussen het Steen en de Grote Markt, waar afvalputten uit de 1ste tot de 3de eeuw zijn gevonden, wat er op duidt dat de nederzetting groter was dan oorspronkelijk gedacht. De kwaliteit en hoeveelheid van het gevonden aardewerk doet vermoeden dat de nederzetting niet onbelangrijk was. Jammer genoeg is het door latere stadsontwikkeling onmogelijk geworden om een duidelijk beeld te krijgen van Romeins Antwerpen. Dakpannen met de vermelding primus cohors geven wel de aanwezigheid van een militaire basis aan. Het gebied dat de Romeinen kenden zag er trouwens nog anders uit dan we vandaag kennen. De hoofdloop van de Schelde liep meer ten Westen, ter hoogte van Zwijndrecht, en de nederzetting was gebouwd tussen de vele kleine rivierarmen.

Munten uit de 4de en 5de eeuw tonen dat er minstens tot dan bewoning was in Antwerpen. In deze tijd waren deze streken voornamelijk bewoond door Saksen en Friezen, Germaanse stammen die zich hier in de 1ste eeuw kwamen vestigen. In de 7de eeuw rukten de Franken onder leiding van hun koning Dagobert I steeds noordelijker op. In tegenstelling tot de heidense Saksen en Friezen, waren de Franken christenen, die door middel van missionarissen hun godsdienst en dus ook hun macht probeerden te verspreiden.

De vroege middeleeuwen

Omstreeks 645-650 bezochten de missionaris Eligius, Sint-Elooi in de volksmond, en Amandus de stad Andouerpi. De zijarmen van de Schelde hadden zich in de voorbije eeuwen intussen verbreed, ten nadele van de rivierloop in Zwijndrecht. Amandus verbleef op een landgoed dat Caloes genaamd was, het huidige Kiel. Dit goed lag op de grens tussen het rijk van de Franken en dat van de Friezen, en was dus ideaal voor missionariswerk. Het feit dat Antwerpen gekozen werd om het christendom te verspreiden en een kerk te bouwen, geeft aan dat de stad toch wel een zeker belang had. Uiteindelijk werd deze kerk aan de Ierse missionaris Willibrordus geschonken, die ze gebruikte als uitvalsbasis voor de kerstening van de Friezen die ten Noorden van de nederzetting woonden.

Deze nederzetting, die echter nog geen “stad” kan genoemd worden, was waarschijnlijk een hoofdplaats van ambachtelijke en administratieve activiteiten voor de wijdere omgeving, en was gelegen in de buurt van de huidige Kloosterstraat. Via een veer over het Schijn, stond Antwerpen in verbinding met andere dorpjes zoals Wijnegem, Deurne, Wommelgem en Hove. Ongetwijfeld was Antwerpen ook de zetel van een grootgrondbezitter of een ander aristocratisch figuur. In oude geschiedenissen van de stad, wordt vaak Rauchingus vermeld. Deze figuur heeft echter geen historische basis.

Antwerpen in de 9de eeuw

De spanningen tussen de Franken en Friezen bleven duren, tot de Friese koning Radboud uiteindelijk verslagen werd door de Frankische hofmeier Pepijn van Herstal. Het huwelijk tussen Grimoald, zoon van Pepijn, met een dochter van Radboud, markeert het begin van de goede verhouding tussen beide rijken. De bisschoppelijke zetel die tot dan toe in Caloes (Kiel) gevestigd was, werd verlegd naar Utrecht, waar Willibrord op 22 november 695 als bisschop gewijd werd.

Willibrord verkreeg van de Frankische heersers grote landgoederen in Brabant en Limburg, onder andere Antwerpum (Antwerpen, 726), Dirninum (Deurne, 721), Furgelarus (Rijkevorsel, 726), Sprusdare (Viersel, 726) en Winlindechim, (Wommelgem, 726). Deze schenkingen omvatten hele dorpen (villae), bestaande uit herenhof met kerk, hofland en slaven, een groot aantal keuterhuizen, bossen, weiden, moerassen, heidegronden, wateren, molens, opstallen, uitwegen, enz.

Na de dood van Radboud, werden de gebieden van de Friezen langzaam maar zeker opgeslokt door de Franken enerzijds, en de Saksen anderzijds. In 772 waagde de Frankische vorst Karel de Grote een eerste poging om de Saksen definitief te onderwerpen. De weigering van de Saksen om het christendom te aanvaarden stootte de vorst voor de borst. Hij vaardigde verschillende wetten uit om hen tot bekering te dwingen, maar onder leiding van onder andere Widukind bleven de Saksen stand houden. In 793 kwamen ze een laatste maal in opstand, en werden ze verpletterend neergeslagen door de Frankische heersers.

De Noormannen

Vanaf de 9de eeuw vielen Noormannen de zuidelijker gelegen landen binnen. Het waren voornamelijk kloosters en kerken die het moesten ontgelden. Systematisch deed men aanvallen op rijke en politiek strategische gebieden. De schepen drongen het land binnen via de grote waterwegen: de Rhône, de Loire, de Seine, de Schelde, de Rijn. Langs die waterwegen plaatsten ze nederzettingsposten zoals in Antwerpen aan het Steen.

Dat het niet om willekeurige plunderingen ging, bewijst de situatie in Frankenland. De vraag kan gesteld worden hoe het anders mogelijk was dat de vikingen, ondanks hun plunderingen, toch vreedzaam handel konden drijven met de bevolking. De Frankische bevolking verkocht zelfs wapens aan de vikingen.

In de Annales Fuldenses lezen we dat Noormannen in 836 Antverpia, Caloes en Deurne binnenvielen en verwoestten. Deze inval maakte deel uit van een reeks aanvallen waarbij ook het Keizerlijke garnizoen op Walcheren werd verslagen en de Noormannen onder leiding van de broers Harald en Hrørek het rijk van de Friezen (en dus ook de Scheldemonding) in handen kregen.

Rond dezelfde tijd werd op de plaats waar Antverpia werd verwoest een nieuwe nederzetting gebouwd. Deze nederzetting had een halfcirkelvormige aarden omwalling met waarschijnlijk een houten palissade, ongeveer een kilometer noordelijker gelegen dan de oude nederzetting (ongeveer ter hoogte van de huidige Suikerrui). Twee straten vormden een kruis van Noord naar Zuid (de Mattestraat) en van West naar Oost (de Zakstraat). Het is niet duidelijk of deze versterking dóór de Noormannen, of eerder als verdediging tégen de Noormannen werd gebouwd. De bebouwing is door archeologische opgravingen redelijk goed gedocumenteerd. De huisjes waren uit hout en stonden dicht bijeen. Straten werden bedekt met houten wandelpaden. De stad was te vergelijken met de toenmalige situatie van andere handelssteden, zoals Dorestad, York of Ipswich.

Bij het verdrag van Verdun (843) werd het Frankische rijk van Karel de Grote in drie delen verdeeld. West-Francië kwam onder leiding van Karel de Kale, Oost-Francië ging naar Lodewijk de Duitser, en Midden-Francië (met daarin Antwerpen) naar Lotharius.

In 923 werd Midden-Francië, ook wel verkeerdelijk “Lotharingen” genoemd, bij het Oost-Frankische rijk gevoegd. De Schelde diende ten noorden nu als nieuwe grens tussen West-Francië (of “Frankrijk”) op de linkeroever, en Oost-Francië (of het “Duitse Rijk”) op de rechteroever. De twisten tussen Frankrijk en het Duitse rijk laaiden hoog op en hun gemeenschappelijke vijand, de Noormannen, werden hun bondgenoten. In West-Francië zette Karel de Eenvoudige Noormannen onder leiding van Rollo in als verdediging van Normandië (een nazaat van deze Rollo is Willem de Veroveraar). In Oost-Francië sloot Keizer Otto I een gelijkaardig verdrag met de Noormannen, en gaf hij de opdracht om in Antwerpen een stenen burcht te bouwen. De bewaking van deze burcht tegen West-Francië en het aan de overkant van de Schelde gelegen Graafschap Vlaanderen, werd overgedragen aan de Noormannen. De handelsplaats zelf was intussen tot buiten de muren gegroeid, en omvatte nu ook de gebieden rond de Grote Markt, de Veemarkt, en de Oude Korenmarkt. Binnen de muren kwam een kerk, geweid aan St Walburgis.

Het Steen
Het Steen – overblijfsel van de burcht van Antwerpen

De Middeleeuwen – eerste stadsuitbreidingen

Antwerpen voor 1200
Antwerpen voor 1200 (tekening: W. De Schamphelaere)

De snelgroeiende bewoonde kern werd in 1070 omringd met een beschermende watersingel, die gevoed werd door enkele zijriviertjes van de Schijn. In de 12de eeuw werd deze versterking uitgebreid. De muren van de burcht werden verhoogd van 5m tot 12m, en de watersingel werd voorzien van aarden wallen. De loop van deze wallen kunnen nog steeds gelezen worden op een stadsplan: van de Boterrui (nu verdwenen) liep ze langs de Suikerrui, de Kaasrui, de Jezuïetenrui, de Minderbroedersrui, de St-Paulusstraat en de Koolvliet (toen: Holenvliet). De stad was bereikbaar langs vier ophaalbruggen: de Koepoortbrug in het Noorden, de Wijngaardbrug in het Oosten, de Reinoldbrug ter hoogte van de Melkmarkt, en de Broodbrug aan de Hoogstraat.

 

1ste stadsuitbreiding
1ste stadsuitbreiding van Antwerpen (tekening: W. De Schamphelaere)

De aarden wallen werden omstreeks 1200 vervangen door een heuse stenen muur, die bij de volgende vergroting van de stad in 1481 grotendeels zou worden afgebroken. De stadsrechten van Antwerpen werden uitgebreid, en vanaf 1221 stond het bestuur onder leiding van een college van 12 schepenen. De vrijheidsbrief werd te Antwerpen persoonlijk overgedragen door Hendrik I, Hertog van Brabant en Markgraaf van Antwerpen (sedert 1106 was het Markgraafschap Antwerpen deel gaan uitmaken van het hertogdom Brabant).

2de stadsuitbreiding
2de stadsuitbreiding van Antwerpen (tekening: W. De Schamphelaere)

Vanaf nu kunnen we ook echt van een stad spreken. De toegang tot de stad gebeurde nu via de Sint-Janspoort, de Kammerpoort, de Meirpoort, de Katelijnepoort, de Wijngaardpoort en de Koepoort. De totale stadsoppervlakte was om en bij de 50 hectare. In 1249 werd de stad opnieuw gevoelig vergroot met het gebied omringd door de St-Pietersvliet, de Leguit, de Verversrui en de Falconrui (tweede uitbreiding).

3de stadsuitbreiding
3de stadsuitbreiding van Antwerpen (tekening: W. De Schamphelaere)

De derde uitbreiding startte in 1295 onder initiatief van Hertog Jan I van Brabant. Door de snelle groei, was een deel van de bevolking zich buiten de muren gaan vestigen. Hierdoor was de verdedigende functie van de muren wat verloren. Ook was men van mening dat de St-Michielsabdij, waar hooggeplaatste gasten op bezoek in Antwerpen verbleven, binnen de muren zou moeten horen. Bij deze uitbreiding werd een muur met 25 torens gebouwd langs de hele Scheldeoever.

4de stadsuitbreiding
4de stadsuitbreiding van Antwerpen (tekening: W. De Schamphelaere)

Nog tijdens de bouw van de nieuwe stadsomwalling, wordt in 1314 besloten een vierde uitbreiding uit te voeren. Daartoe werd een nieuwe gracht gegraven van het Blauwtorenplein via de Tabakvest, Kipdorpvest en Molenbergstraat tot aan de Rode Poort. Van hieruit maakte de omwalling een bocht uitmondend in de Schelde ten noorden van de Sint-Pietersvliet. Later, circa 1410, werden op deze lijn de Ankerrui, Oude Leeuwenrui en Brouwersvliet uitgegraven. De nieuwe Kronenburgpoort, Sint-Jorispoort, Kipdorppoort en Rode Poort vervingen de oude poorten. De Slijken Pisternepoort ten Noorden leidden naar de polders, het Begijnhol ten zuiden naar het Begijnhof. De vierde vergroting bracht de stad op meer dan 210 hectare voor een bevolking die steeg van 10 à 12.000 eenheden in 1358 tot circa 18.000 in 1374 en circa 20.000 in 1394. Deze stadsgrens zou tot het midden van de 16de eeuw ongewijzigd blijven.

Onze-Lieve-Vrouwkathedraal omstreeks 1649
Wenzel Hollar, Antverpiensis tvrris ecclesiae cathedralis (ca. 1649)

In 1352 werd ook gestart met de bouw van een van de belangrijkste Antwerpse symbolen, namelijk de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal door architecten Jan Appelmans en zijn zoon Pieter. De bouw zou duren tot 1521.

Antwerpen groeide uit tot een van de grootste steden van Brabant, en werd een geducht concurrent van Brugge. De internationale lakenhandel trok kooplieden aan van over heel Europa. Door zware stormvloeden doorheen de 13de eeuw was de Scheldedelta sterk getransformeerd. De Honte, een klein stroompje ten Noordwesten van Antwerpen, werd steeds groter, ten nadele van de Scheldemonding. Geleidelijk aan werd de Honte bevaarbaar door handelsschepen en werd de Antwerpse haven beter bereikbaar. De Honte werd al snel de Westerschelde gedoopt, terwijl de oude Scheldemonding de naam Oosterschelde of Oude Schelde kreeg.
In dezelfde periode kreeg het Zwin te maken met verzanding. De in Brugge gevestigde handelshuizen (Venetië, Genua, Portugal,…) zagen de situatie steeds erger worden. Daar bovenop werd de stad gestraft door Maximiliaan van Oostenrijk voor hun verzet tegen zijn bewind: Brugge moest onder meer haar stadsmuren afbreken, en een groot deel van de bevolking verliet de stad. Door het verplaatsen van hun stapelmarkt voor specerijen naar Antwerpen in 1501, gaven de Portugezen het startschot voor de Gouden Eeuw van Antwerpen.

Sinjoren en Spanjaarden

Officieel begint de geschiedenis van de “Spaanse Nederlanden” pas in 1556, wanneer de gebieden na de troonsafstand van de Habsburgse Keizer Karel V toekwamen aan zijn zoon, Filips II, Koning van Spanje. Voor het gemak beschrijven we hier eveneens de periode van de “Habsburgse Nederlanden”, die startten toen onze gebieden in 1482 in de Habsburgse handen van Filips de Schone en later zijn zoon Karel V terecht kwamen. Deze Spaanse periode, die pas zou eindigen in 1715 toen het gezag aan de Oostenrijkers werd overgedragen, is nog steeds merkbaar in het Antwerpse dagelijks leven. Woorden zoals sinjoor (een ‘echte’ Antwerpenaar) en pagadder (een klein iemand) zijn rechtstreeks afkomstig uit het Spaans. Sinjoor is een verbastering van het Spaanse señor en werd door onder meer de Spanjaarden gebruikt om de Antwerpse hoge heren aan te spreken. Pagadder is dan weer een verbastering van het Spaanse pagador. De pagadores waren Spanjaarden die te klein waren om dienst te nemen in het leger, en zich nuttig maakten door de soldij aan de soldaten uit te betalen (Sp.: pagar). En wie kent het Antwerps poppentheater niet, ook bekend als het “poesjenellentheater”? De uit de Italiaanse commedia dell’arte afkomstige pop Pulcinella fungeerde in de zestiende-eeuwse Antwerpen als schelmenfiguur en mascotte van het verzet tegen de Spanjaarden.

Bononiensis - Plan van Antwerpen (1565)
Virgilius Bononiensis, Plan van Antwerpen (ca. 1565) – vóór de bouw van de citadel (Collectie Stad Antwerpen, Museum Plantin-Moretus)

In 1520 werd het plan opgevat de bestaande versterking te verbeteren waarbij de Italiaanse krijgsbouwkundige Donato Buoni di Pellezuoli werd belast met het opmaken van een plan dat op 10 mei 1540 werd goedgekeurd. Alvorens het werk kon worden gestart brak er echter een oorlog uit tussen Karel V en Frans I: de inval van Maarten van Rossum en zijn kortstondig beleg van Antwerpen in juli 1542 leverden het duidelijk bewijs dat de middeleeuwse vesten niet meer voldeden. Aangezien vele kooplui bovendien dreigden de stad te zullen verlaten indien zij niet met een degelijker verdedigingssysteem zou worden uitgerust, besloot het stadsbestuur nu dadelijk met de nieuwe omwalling te beginners. De algemene leiding berustte bij Donato Buoni, terwijl de detailuitvoering werd toevertrouwd aan de Antwerpenaar Peter Frans. Vanaf de Kronenburgpoort (nu ter hoogte van de Scheldestraat) tot aan de Rode Poort volgde de nieuwe vestinggordel ongeveer hetzelfde tracé als de oude omheining; in het noorden werd de stad echter aanzienlijk uitgebreid: de oude muur die zich uitstrekte van Rode Poort tot Herman Haeckxpoort (nabij de Sint-Pietersvliet) werd afgebroken en de gronden gelegen tussen de vroegere stadsgracht, de Rode Poort, het Schijn en de Kattendijk werden bij de stad gevoegd. Dit nieuwe stadsgedeelte dat een oppervlakte besloeg van circa 25 hectare werd de “Nieuwstad” genoemd. Hiermee groeide de totale stadsoppervlakte tot zo’n 260 hectare. In 1555 was de nieuwe versterking klaar. De omwalling was van het gebastioneerde type: ze bestond uit acht fronten met zeven bastions op de hoeken. Er werden vijf poorten in renaissancestijl aangebracht in de muur: de Slijkpoort, Rode Poort, Kipdorppoort, St.-Jorispoort (die de grootste was en later de Keizerspoort gedoopt werd) en de Kronenburgpoort. Deze laatste werd na de bouw van de citadel vervangen door de Begijnenpoort.

Citadel van Antwerpen
De Citadel van Antwerpen op een 16de eeuwse gravure uit het prentenkabinet van het Plantin en Moretusmuseum

Kort daarop, in het kader van de Spaanse repressiepolitiek gevoerd door Filips II, gaf diens landvoogd Alva bevel tot het bouwen van een citadel naast de stad. De ingenieurs belast met de bouw waren de Italiaanse vestingbouwkundigen Francesco Paccioto, Gabriel Serbeloni en Bartholomeo Campi en de Nederlander Jacob van Hencxthoven. Het fort – gebouwd tussen 1567 en 1572 – had de vorm van een vijfhoek voorzien van vijf kleine bastions op de hoeken. Het middelpunt bevond zich ongeveer ter hoogte van de huidige Leopold De Waelplaats, de bastions reikten tot ver buiten de leien. In het noorden was de citadel begrensd door de Kronenburgstraat en de Kasteelpleinstraat, in het westen door de Schelde. Een deel van de omwalling, onder andere de Kronenburgpoort, werd hiervoor gesloopt.

De spectaculaire ontwikkeling die Antwerpen in de zestiende eeuw doormaakte, is het best te merken aan de toename van de bevolking. Omstreeks 1400 was Antwerpen slechts een kleine stad, met ongeveer 18.000 inwoners. Tegen 1500 was dit aantal gestegen tot net geen 50.000 inwoners, en in 1560 werd de kaap van 100.000 overschreden. Voor die tijd mag men gerust van een megapolis spreken: slechts een tiental Europese steden telden omstreeks dezelfde tijd evenveel of meer inwoners.

Deze demografische groei gaf een enorme impuls aan de woningbouw. Tussen 1496 en 1568 steeg het aantal huizen binnen de stadsmuren van 6.147 tot 11.856. Toch volstond het aanbod geenszins om aan de vraag te voldoen. De zestiende-eeuwse woningvoorraad onderging in de loop der volgende twee eeuwen geen noemenswaardige wijzigingen. De verklaring voor deze stagnatie moet in de demografische ontwikkeling worden gezocht. Tussen 1568 en 1585 daalde de bevolking langzaam maar zeker, waarna een catastrofale val plaatsgreep: in 1591 herbergde de Scheldestad nog maar 46.120 inwoners. Hoewel zich naderhand een herstel voordeed, overschreed het bevolkingscijfer tot de Hollandse tijd nooit 66.000 eenheden. Elke stimulans tot nieuwe bouw was bijgevolg verdwenen. In de periode 1585-91 werden ongeveer 2.500 huizen intra muros afgebroken of samengevoegd, waardoor het globale aantal tot nauwelijks 10.000 werd herleid, cijfer dat het hele Ancien regime door vrijwel constant bleef.

Antwerpen was een van de eerste plaatsen waar het Lutheranisme voet aan de grond kreeg. Dat kwam door het Augustijnenklooster, waar enkele oud-leerlingen van de Saksische reformator woonden. Hun verkondiging vond gehoor, maar de overheid greep in. In 1522 werd het klooster gesloten en de monniken afgevoerd. De meesten herriepen hun dwalingen, maar een tweetal weigerachtigen werd op 1 juli 1523 in Brussel verbrand. Halverwege de 16e eeuw begon het calvinisme grote aanhang te krijgen in de stad. En opnieuw reageerde de overheid met de brandstapel, te beginnen in 1551 voor de eerste gereformeerde predikant Jan van Oostende.

De boekdrukkunstfloreerde onder invloed van de uit Tours afkomstige Christoffel Plantijn (1520-1589), die in 1555 begon met een drukkerij die zelfs het monopolie voor uitgave van missalen en brevieren voor alle landen onder de Spaanse kroon verwierf. In 1568-1572 werd door het huis Plantijn de Biblia Regia in vijf talen en in acht delen gedrukt. Ook de cartografie kreeg een enorme boost: onder meer Abraham Ortelius’ samenvoeging van kaarten, door Gerard Mercator korte tijd later ‘Atlas’ genoemd, was een belangrijke ontwikkeling.

Naast de bouw van de meest moderne stadswallen uit die tijd, kreeg Antwerpen een nieuw stadhuis (1565), een door dezelfde architect ontworpen Ooster- of Hanzehuis (waar nu het MAS ligt), een beurs (1531) en tal van andere gebouwen. Keizer Karel V bekrachtigde het einde van de functie als burcht van het Steen in 1549.

De anti katholieke gevoelens bij de religieuze hervormingsbewegingen fulmineerde op 20 augustus 1566 in de zogenaamde Beeldenstorm. Op grote schaal werden heiligenbeelden en andere objecten in katholieke kerken vernietigd door protestanten, en duizenden roomsen ontvluchtten de stad. Filips II stelde orde op zaken met de gevreesde Spaanse inquisitie, meedogenloos optrad tegen elke vorm van protestantisme. Hij stuurde de Hertog van Alva naar de Nederlanden om drie opdrachten uit te voeren: de opstandelingen straffen, er voor zorgen dat het katholicisme de enige godsdienst in de Nederlanden zou zijn, en het bestuur centraliseren. Hiervoor werden nieuwe bisschoppen aangesteld die op de naleving van de besluiten van het Concilie van Trente moesten toezien. Dat hij hier niet geheel in slaagde, valt op te maken uit een godsdiensttelling die in 1580 werd uitgevoerd op laste van stadhouder Willem van Oranje: slechts 50% van de bevolking bleek zichzelf als katholiek te beschouwen. De Calvinisten telden 33% van de bevolking, en de Lutheranen 17%.

De opstand tegen Spanje had de stad grote schade berokkend. Reeds in 1548 trokken de Portugezen hun specerijenhandel weg uit Antwerpen, en in 1564 verlieten ook de Engelse wolhandelaars de stad. Hierdoor raakte Antwerpen in een recessie. Op 4 november 1576 werd de stad geplunderd door muitende Spaanse huursoldaten, die 8.000 burgers vermoordden (Spaanse Furie). De stad sloot zich vervolgens aan bij de Pacificatie van Gent en was na de inname van de Citadel van Antwerpen in 1577 gedurende de komende 9 jaar min of meer de hoofdstad van de anti-Spaanse opstand. Dit tijdperk staat bekend als de Antwerpse Republiek. Hoewel het er op leek dat de Spaanse stadhouder Alexander Farnese, Prins (later Hertog) van Parma, het op Antwerpen gemunt had, leverden hij en zijn troepen slechts één opmerkelijke slag, bij Borgerhout. In 1585 viel het doek echter voor de stad. Farnese slaagde er in Antwerpen voor de Spanjaarden te veroveren, na een beleg dat bijna 100 jaar had geduurd. Nadat hij zo goed als alle dorpen in de omgeving had ingenomen, bouwde hij een brug met honderden in beslag genomen schepen uit het Land van Dendermonde, om zo de toegang tot Antwerpen ook over water onmogelijk te maken. Van de 100.000 inwoners die Antwerpen telde in 1560, bleef enkele jaren later minder dan de helft over. Met tienduizenden vertrokken de vaak geschoolde Antwerpenaren naar elders. Een groot deel belandde in Amsterdam. Deze braindrain legde daar het fundament voor de Gouden Eeuw van de Nederlandse Republiek.

Parma’s brug

In de volgende twee eeuwen zou Antwerpen niet meer de bloei van de voorafgaande periode bereiken, maar het zou overdreven zijn te zeggen dat de stad wegkwijnde. Antwerpen bleef een van de belangrijkste economische en culturele centra van de Spaanse en later Oostenrijkse Nederlanden. Het bracht in die periode grote schilders voort als Rubens, Jordaens en Teniers. Als rooms-katholiek bolwerk in de Contrareformatie kwamen er grootse kunst- en bouwwerken tot stand, voornamelijk in barokke stijl, zoals de Sint-Carolus Borromeuskerk.

Sluiting van de Schelde en de Fransen

De pas gestichte Republiek der Verenigde Nederlanden sloot de Schelde in 1587 voor de doorgaande zeevaart van en naar het toen Spaanse Antwerpen. Dit zou zo blijven tot 1863. Na verscheidene pogingen om Antwerpen te heroveren op de Spanjaarden, werden aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648, bij de Vrede van Münster, de spelregels nogmaals herhaald. Grote vrachtschepen mochten niet voorbij en alle andere schepen moesten ter hoogte van de Westerschelde tol betalen aan de Nederlanders. Pas met het afkopen van de Scheldetol (1863) door de Belgische regering werd de Schelde weer bevaarbaar voor vrachtverkeer.

De huidige haveninfrastructuur werd begonnen onder Napoleon en Willem I. In 1792 werd Antwerpen veroverd door de Franse revolutionaire legers. Hoewel Frankrijk de Schelde (tijdelijk) weer opende voor handel, werd deze door de voortdurende oorlogen beperkt en Antwerpen werd eerder een oorlogshaven. Naast de gedeeltelijke rechttrekking van de Scheldekaaien, liet de Franse keizer ook de meest noordelijke vlieten vervangen door grotere haveninfrastructuur. Zo begon in 1803 de bouw van de Bonapartesluis, le petit bassin (nadien Bonapartedok genoemd) en iets later le grand bassin (nadien het Willemdok genoemd) naast het Hanzehuis. De werken gingen slechts traag vooruit door een tekort aan hout en arbeiders, en werden pas in 1813 afgerond. Er waren op dat moment ook plannen om een zeekanaal te graven van Antwerpen, via Zelzate en Brugge naar Zeebrugge, maar dit project is nooit doorgegaan. Naast de aanleg van de dokken in het noorden van de stad, liet Napoleon scheepstimmerwerven, arsenalen en entrepots aanleggen in het zuiden, op het terrein van de vroegere St-Michielsabdij, waar hij oorlogsschepen liet maken en waar de vader van Hendrik Conscience werkte als timmerman. De nieuwe dokken in het noorden dienden uiteindelijk als “parkeerplaats” voor de schepen die in het zuiden gebouwd werden. Verder werden de muren en torens langsheen de Schelde afgebroken (1797-1804) en vervangen door een verdedigingssysteem op linkeroever.

Bonapartedok 1934
Luchtfoto van het Bonapartedok uit 1934

Lazare Carnot werd in 1814 naar Antwerpen gestuurd om de stad te verdedigen. Hij liet wijken buiten de stad, met name delen van het Kiel en Berchem platbranden, als ‘verdedigingstrategie’, om de stad verder uit te bouwen tot een belangrijk bolwerk tegen de geallieerde coalities.

Toen Antwerpen in 1830 met de Belgische Revolutie te maken kreeg, hield het Nederlandse leger onder leiding van baron Chassé de citadel van Antwerpen bezet. Beide partijen bestookten elkaar met artillerie. In 1831 werd de citadel door een Frans leger onder leiding van maarschalk Gérard veroverd op Chassé.

Van 1830 tot na WO II

Na 1830 nam het aantal inwoners gestaag toe: in 1855 bedroeg de totale bevolking opnieuw 100.000, in 1884 was dit verdubbeld tot 200.000, en in 1906 had de stad maar liefst 300.000 inwoners, het hoogste aantal dat ooit werd bereikt. Na de Februarirevolutie van 1848 in Frankrijk, werd Antwerpen gekozen als centrum voor de militaire defensie van het land dit tot groot ongenoegen van de bevolking. Op 8 September 1859 werd de bouw van een nieuwe kringvesting goedgekeurd. Deze nieuwe vesting zou vertrekken van Ford Ferdinand (het noordkasteel), dat tot citadel zou uitgebouwd worden, met daar een kring van acht forten gelegen langs de huidige militaire baan aan toegevoegd. Doordat de stad eigenaar werd van de Spaanse omwalling, die met de nieuwe vesting haar nut grotendeels verloor, werd ze op slag 154 hectare groter. In maart 1860 werd de bouw volgens de plannen van Henri Alexis Brialmont aangevat. De nieuwe verdedigingswerken bestond uit een omwalling die ongeveer het tracé van de huidige Ring en Singel volgde, en een vooruitgeschoven binnengordel van 8 forten, de zogenaamde Brialmontforten langs de huidige R11 op zo’n 2,5 kilometer van de stad. Na 1864 werden de vroegere wallen, het noord- en het zuidkasteel geslecht en de vrijgekomen gronden aanbesteed voor bebouwing. Begin twintigste eeuw werd deze kringvesting uitgebreid door een fortenreeks op circa 18 kilometer afstand van het stadscentrum (1906). In 1910 werd met de afbraak van de Brialmontvesten, die nooit hun doelmatigheid hebben kunnen bewijzen begonnen. De laatste resten ervan werden opgeruimd met de aanleg van de E3 autosnelweg.

Het scheidingsverdrag tussen België en Nederland van 19 april 1839 gaf Nederland het recht op de historische Scheldetol, die al sinds de middeleeuwen geheven werd. Op 12 mei 1863 tekenden België en Nederland een verdrag waarbij die heffing werd afgekocht, en werd Antwerpen weer bereikbaar voor handelsschepen. Op dat moment bestond dat vrachtverkeer niet meer uit kogge’s, galeien of kraken, maar wel uit grote zeil- en stoomschepen. De Antwerpse kaai was hierop niet voorzien. Met haar in de Schelde uitstulpende stukken land bood de kaai geen aanlegplaats voor de nu veel langere schepen. Een rechttrekking van de kaai was broodnodig, en dit gebeurde ook met de verbreding van de Schelde van gemiddeld 270 naar ongeveer 500 meter in 1875. Daarbij werd een groot deel van de oorspronkelijke Antwerpse burcht, de zogenaamde Werf waar de stad ontstaan was, gesloopt. Enkel Het Steen bleef hiervan nog over, dat in 1890 werd omgebouwd tot een ‘nepkasteel’. Met de bouw van de nieuwe kaaimuren (1877-85) verdwenen ook de laatste vlieten van de stad: de Brouwers-, Sint-Pieters- en Sint-Jansvliet. De andere vlieten en ruien in de binnenstad waren reeds in de jaren 1830-1840 gedempt of overwelfd. De intussen gedempte Zuiderdokken en het Kattendijkdok werden eveneens in deze periode gebouwd. Omdat de kaaien door ijzeren hekken voor het publiek waren afgesloten, en de magazijnen het zicht op de Schelde belemmerden, werden in 1885 eveneens het Noorder- en Zuiderterras gebouwd. Zo konden de Antwerpenaren met een trap maar beide terrassen wandelen en de Schelde bewonderen.

Door de oprichting van de overzeese kolonie Kongo-Vrijstaat, werd Antwerpen een draaischijf voor rubber en ivoor. In 1895 werd de Compagnie Belge Maritime du Congo opgericht op verzoek van Leopold II van België. Op 6 februari 1895 vertrok de Léopoldville als eerste uit Antwerpen naar Matadi voor een lijnverbinding. Ook was Antwerpen de belangrijkste haven voor reizigers uit Duitsland en Oost-Europa die hun geluk gingen zoeken in Amerika en inscheepten met de Red Star Line.

Met het heropleven van handel en havenactiviteiten ging een nieuwe bouwbedrijvigheid gepaard. De Leopoldstraat werd verkaveld en de Kruidtuin ingericht. Voor het eerst sedert de 16de eeuw werd een nieuwe woonwijk gebouwd, op de gronden van het voormalige Geuzenkerkhof en kapucinessenklooster (tussen Terninck- en Schermersstraat, Begijnenvest en Kasteelpleinstraat). Verschillende openbare gebouwen werden opgericht: de nieuwe schouwburg op de Komedieplaats (het huidige Toneelhuis), het museum van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in de Venusstraat, stadsscholen (Bogaerdestraat, Kipdorpvest) en kazernes (Prekersstraat, Begijnenvest), de Koninklijk Stapelhuizen op het Eilandje werden gebouwd en de Rijnspoorweg langs de Noorderdokken aangelegd.

De afbraak van de Spaanse wallen in 1864 deed 154 hectare grond vrijkomen. De muren werden vervangen door brede beplante lanen – de huidige leien – en een honderdtal nieuwe straten en pleinen. Kort daarop – in 1874 – werd begonnen met de afbraakwerken van het Zuidkasteel waardoor opnieuw 108 hectare vrijkwam: een volledig autonoom woongebied met brede infrastructuur werd hier uitgebouwd, een stadswijk die nu bekend staat onder de naam “Zuid”. Hier werden in 1885 en 1894 met trots twee Wereldtentoonstellingen georganiseerd.

Franrijklei 1881
Frankrijklei met de Nationale Bank omstreeks 1881 (Falixarchief FOTO-OF#5553)

Rond dezelfde tijd werden in de verouderde binnenstad verschillende sanerings- en verfraaiingswerken uitgevoerd: de Sint-Andriesplaats werd aangelegd en een aantal achterbuurten en krotten, voornamelijk in het Sint-Andrieskwartier, gesloopt, in 1877 en volgende werd de Boeksteeg (nu de Nationalestraat) rechtgetrokken en verbreed, waarbij de vroegere bebouwing samen met die van de aansluitende straten grotendeels verdween. In 1893 werd de Nieuwstad gesaneerd, in werd 1895 de Meir verbreed, en in 1898 de Leysstraat (met het oog op de verbinding met het nieuwe Centraal Station, waarvan de bouw startte in 1898 en dat in 1905 werd ingehuldigd). Grootschalige complexen met economische of culturele functie werden opgericht: de nieuwe handelsbeurs (1872), de Nationale Bank (1879), het Loodswezen (1892-95), fabrieken en pakhuizen nabij de kaaien en in de omgeving van de Noorderdokken. Twee nieuwe kerken werden gebouwd: Sint-Joris (1853) en Sint- Antonius (1910), alsook een synagoge (1893), het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (1887) en een Stadsfeestzaal (1908). De Koninklijke Academie voor Schone Kunsten werd uitgebreid, diverse scholen opgericht en de gevangenis in de oude burcht vervangen door een nieuwe aan de Begijnenstraat (1854-59).

De oorlogsjaren van de Eerste Wereldoorlog betekenden een stilstand in de verdere evolutie, maar de jaren 1930 brachten weer stedenbouwkundige vernieuwingen met zich mee: in 1931 werd begonnen met de graafwerken van de Immalsotunnel in de voormalige bedding van Anker-, Oude Leeuwenrui en Brouwersvliet. Een nieuw gasthuis, het Instituut voor Tropische Geneeskunde, zag in 1933 het Licht aan Nationale- en Kronenburgstraat. In dezelfde jaren werd een aanvang gemaakt met het bouwen van sociale woningen in de Kloosterstraat, de Arsenaalstraat, de Willem Lepelstraat, de Van Craesbeeckstraat, Hopland en langsheen de kaaien. In 1920 gingen de Olympische Zomerspelen door te Antwerpen. Hiervoor werd het Olympisch Stadion gebouwd, en de zwemwedstrijden gingen door in open lucht in de vest bij de Wezenberg. In 1930 ging opnieuw een Wereldtentoonstelling door op het Kiel. In 1929 werd met het oog op deze Wereldtentoonstelling de Boerentoren gebouwd, een van de eerste wolkenkrabbers in Europa.

Tussen 7 oktober 1944 tot 30 maart 1945 werd de stad en omgeving zwaar beschadigd door de Duitse V-1 en V-2 bommen gericht op de haven, waarlangs de geallieerden materieel aanvoerden. In totaal werden er 3.709 V-bominslagen geteld in het arrondissement Antwerpen, waarbij duizenden doden vielen. Bij twee inslagen kort na elkaar op de Teniersplaats vielen 724 doden, terwijl op 16 december 1944 de Cinema Rex een voltreffer kreeg. Daarbij kwamen 566 Antwerpenaren om het leven. Veel Antwerpenaren vluchtten de stad uit en degenen die bleven ontvingen zogenaamd “bibbergeld”. De Duitsers trachtten de haven te beschadigen, maar deze bleef relatief onbeschadigd. Op 4 september 1944 werd Antwerpen vanuit Brussel bevrijd door de geallieerden onder aanvoering van kolonel Silvertop met zijn Cromwell tanks. Ter herdenking van de bevrijding werd het Tankmonument aangelegd.

Na de oorlog werd 5.291 hectare grondgebied tussen Antwerpen en de Hollandse grens rond 1955 geannexeerd, bestemd als haven- en industriezone. Recentere stadsingrepen zijn de opening van het Frans Halsplein (1970) en het heropenen van de Wapper (1977), het scheppen en herprofileren van winkelwandelstraten tussen de Huidevettersstraat, de Kammenstraat en de IJzeren Waag, nieuwe sociale woonwijken aan het Zuid in de Jan Van Gentplaats en de Van der Sweepstraat, de infiltratie van universiteitsgebouwen in de omgeving van Prins-, Keizer- en Rodestraat (sedert 1972), de bouw van het Administratief Centrum aan de Oudaan (1952), de Theaterbuilding aan de Italiëlei (1971), de nieuwe Schouwburg aan de Oude Vaartplaats en het gerechtshof aan de Waalsekaai (1973).

Stadsvernieuwing in de 21ste eeuw

In het noorden van de stad, op ’t Eilandje, staat sinds 2011 het MAS (Museum Aan de Stroom). De bouw van dit nieuwe museum heeft het gentrificatieproces van ’t Eilandje definitief op gang gebracht. Deze buurt is het oudste deel van de Antwerpse haven, maar omdat de havenactiviteiten zich steeds meer verplaatsten naar noordelijke, nieuwere dokken, was ’t Eilandje tegen de jaren 1970 een verlaten en desolaat gebied met maar weinig werkgelegenheid. Jarenlang liep de heropwaardering van de wijk zeer moeizaam, onder meer omdat de gronden eigendom waren van de haven en niet van de stad. Na de eeuwwisseling raakte de heropwaardering in een stroomversnelling door de renovatie van het Felixpakhuis als het nieuwe stadsarchief in 2006, de bouw van het MAS in 2011, het Red Star Line Museum in 2013 en de heraanleg van het publieke domein. Sindsdien raakte ’t Eilandje opnieuw in trek bij de Antwerpenaren en bezoekers: er werden een aantal woontorens gebouwd, er verschenen nieuwe horecazaken rond de dokken, en de dokken zelf werden in gebruik genomen als jachthavens. De nieuwbouw- en renovatieprojecten omvatten veelal appartementen of lofts in de hogere prijsklassen.

Havenhuis
Het Havenhuis van Zaha Hadid

Ten noorden van Het Eilandje, op het Mexico-Eiland, werd in 2016 de bouw van het nieuwe Havenhuis, het hoofdgebouw van de Antwerpse haven, afgerond. Dit gebouw is een nieuwbouw ontworpen door Zaha Hadid in combinatie met een oude brandweerkazerne uit 1922. Voor de rest van het Mexico-Eiland en het omliggende gebied werkt de stad anno 2018 aan een visie met als werktitel ‘innovatieve stadshaven’. Met deze visie wil de stad bedrijvigheid in de stad houden en moderne, innovatieve bedrijven steunen en aantrekken.

Binnen het kader van het Sigmaplan zullen de Antwerpse Scheldekaaien aangepast worden. Omdat de kaaimuur op verschillende plaatsen in slechte staat is, worden stabilisatiewerken uitgevoerd. Door de ligging van Antwerpen aan de Schelde is de stad ook overstromingsgevoelig gebied. Om de stad hiertegen beter te beschermen zullen de kaaimuren verhoogd worden. De stad zal bij de werken aan de Scheldekaaien het publieke domein vernieuwen. Een deel van het Droogdokkeneiland in het noorden van Antwerpen wordt hierbij omgebouwd tot een nieuw park, het Droogdokkenpark. Naast dit park zal er op het eiland het Maritiem Museum worden gebouwd.

In de buurt van Het Eilandje werd ook het oude NMBS-rangeerterrein van Station Antwerpen-Dam omgevormd tot een landschapspark genaamd Park Spoor Noord. Dit park werd afgewerkt in 2009. Op de “kop” van Park Spoor Noord (het meest westelijke deel) werden een aantal woontorens gerealiseerd, een kantoorgebouw van FOD Financien, een campus van de AP Hogeschool, en wordt er anno 2018 een nieuw ZNA-ziekenhuis gebouwd genaamd ZNA Cadix.

Ten zuiden van Het Zuid opende in 2006 het nieuwe Justitiepaleis van Antwerpen, ontworpen door Richard Rogers, tevens de architect van gebouwen als Centre Pompidou in Parijs. Ook in 2006 werd het oude goederenstation van Antwerpen-Zuid omgebouwd tot de nieuwe hoofdzetel van de Bank J. Van Breda. Dit stationsgebouw bevond zich toen op een grotendeels verlaten industrieel gebied achter het nieuwe Justitiepaleis. Sinds 2010 kwam er beweging op de site. De gronden aan de Scheldekaaien, ten zuiden van Het Zuid, rondom de nieuwe hoofdzetel van de Bank J. Van Breda kwamen grotendeels in handen van de ontwikkelaar Triple Living. Daar bouwt deze ontwikkelaar sinds 2014 aan een nieuwe wijk, Nieuw-Zuid. Het masterplan van de wijk werd ontworpen door Paola Viganò en voorziet onder meer een nieuw park en een 8-tal woontorens. Alle gebouwen in de wijk zullen ook aangesloten worden op een warmtenet, zodat de gebouwen geen eigen verwarmingsinstallaties nodig hebben. Momenteel wordt het warmtenet bevoorraad door een warmtecentrale in het nieuwe park, maar op termijn is het de bedoeling om te werken met restwarmte van de nabije industrie. Het zal 15 jaar duren om de wijk volledig te ontwikkelen. Met 2000 woningen is ze goed voor ca. 5000 nieuwe inwoners, een van de grootste ontwikkelingen van België.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.