De Stedenatlas van Jacob van Deventer

Tussen 1545 en 1575 tekende en compileerde Jacob van Deventer een driedelige atlas met plattegronden van enkele van de belangrijkste steden in de Nederlanden uit die tijd. Maar liefst 226 van deze tekeningen zijn overgeleverd, en werden onlangs voor het eerst gebundeld in een nieuw boek. Deze worden niet alleen geroemd om hun hoge nauwkeurigheid (sommige kaarten sluiten bijna naadloos aan op moderne luchtfoto’s) maar ook omdat ze vaak de oudste topografische plannen zijn van de desbetreffende steden en hun omgeving.

Wie was Jacob van Deventer?

Jacob van Deventer werd omstreeks 1500 geboren in Kampen uit een ongehuwde moeder. Tussen 1520 en 1530 studeerde hij aan de Universiteit van Leuven. Hoewel zijn interesse eerst uitging naar geneeskunde en wiskunde, heroriënteerde hij zich snel naar landmeetkunde en cartografie. Zijn eerste grote werk was een kaart van het Hertogdom Brabant, die hij in 1536 tekende. Deze kaart werd de eerste gedrukte kaart in de Nederlanden. Na de kaart van Brabant, volgden er nog van Holland (1537), Gelre (1543), Friesland (1545) en Zeeland (1547).

Kaart van het hertogdom Brabant uit 1540 door Jacob van Deventer
Hertogdom Brabant – Jacob van Deventer (1540)

Omstreeks 1540 kreeg van Deventer de titel “keizerlijk geograaf” van Karel V, een titel die na diens dood in 1555 werd omgezet in “koninklijk geograaf”. Het is in deze functie dat hij in 1558 de opdracht zou krijgen van Filips II om alle steden van de Nederlanden in kaart te brengen. Aangezien de kaarten eerder van militair nut waren, zijn ze nooit als een atlas gedrukt en werden ze langzaam vergeten.

Met als zijn thuisbasis Mechelen, waar hij sinds 1542 woonde, werkte hij aan de collectie kaarten tot aan zijn dood in 1575. In 1572 ontvluchtte hij de stad richting Keulen, uit angst voor de steeds groeiende anti-Spaanse houding in de Lage Landen. In Keulen stierf hij, zonder zijn levenswerk te hebben afgemaakt.

De kaarten

In 15 jaar maakte van Deventer zo’n 260 stadsplattegronden die zich uitstrekten van Friesland tot Noord-Frankrijk, en van de Noordzee tot Duitsland en Luxemburg. Met verbluffende nauwkeurigheid, tekende hij de plannen op een schaal van bij benadering 1:8.000.

De collectie bestaat uit drie soorten kaarten:

  • minuten: een eerste versie van de kaart, opgemaakt aan de hand van topografische gegevens en metingen ter plaatse; men zou kunnen stellen dat het een soort eerste proefdruk voor elke kaart is. Het is echter geen kladversie: de kaarten bevatten te weinig correcties om ter plaatse getekend te zijn. Elke kaart is in kleur, en bevat slechts weinig geschreven commentaar. Van deze losse bladen zijn er in de 19de eeuw 152 teruggevonden op een veiling in Den haag. Een tachtigtal hiervan kunnen nu geraadpleegd worden via de website van de Koninklijke Bibliotheek van België.
  • netkaarten: de nette versie van de minuten, aangevuld met Latijnse aanduidingen; deze kaarten in formaat 43×28,5cmwerden gecompileerd in drie in leder ingebonden registers, waarvan er twee nog te vinden zijn in de Biblioteca Nacional te Madrid. Het derde, met waarschijnlijk ook de plannen van onder andere Antwerpen en Maastricht, is jammer genoeg verloren gegaan.
  • bijkaarten: geven enkel de stad weer, in tegenstelling tot de minuten en netkaarten, die ook de omgeving weergeven; enkel de stadsvesten en -grachten, belangrijke gebouwen en straten zijn weergegeven, soms benoemd. De bijkaarten werden steeds afgebeeld op dezelfde pagina als de bijhorende netkaart – al dan niet door middel van een uitklap
Minuut van Oudenaarde - Jacob van Deventer (1563)
Minuut van Oudenaarde – Jacob van Deventer (1563)
Netkaart en bijkaartje van Oudenaarde - Jacob van Deventer (1564)
Netkaart en bijkaartje van Oudenaarde – Jacob van Deventer (1564)

Om de plannen te maken, maakte van Deventer intensief gebruik van driehoeksmeting. Deze relatief nieuwe techniek werd hem in Leuven aangeleerd door Gemma Frisius, de bekende Friese geograaf. De eerste stap was het opmaken van een basic grondplan. Hiervoor stapte hij met zijn kompas door de belangrijke straten, om ze vervolgens op papier te schematiseren, met bijhorende commentaren (beschrijvingen van gebouwen, plaatsnamen of schetsen van wapenschilden). Met behulp van een boussole (kompas met vizier) kon hij bij elke knik in een rechte lijn de positie ten opzichte van het Noorden bepalen. Deze meetpunten werden later op papier overgezet met behulp van minuscule gaatjes, die vervolgens met elkaar verbonden werden en zo het verloop van een straat of rivier aangaven. Via driehoeksmeting (‘voorwaartse snijding’) bepaalde hij in dit kader de ligging van belangrijke gebouwen.

De uiteindelijke kaarten tonen ons de belangrijkste gebouwen in vogelperspectief, terwijl de rest van de plattegrond vereenvoudigd en gestandaardiseerd is weergegeven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.